Bijlage – VERWEERSCHRIFT BEROEP – Everaert

VERWEERSCHRIFT

inzake:

de heer C.P.J. Everaert
bedrijfsarts

verweerder

gemachtigde: mr. J.C. Rous

tegen:

de heer R.G.W. Mäkel
wonende te Arnhem

verzoeker

Klager, hierna te noemen: “Mäkel”, is bij beroepschrift van 28 december 2017 in beroep gekomen tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle van 15 december 2017. Het Tuchtcollege heeft de klachten van Mäkel op alle onderdelen kennelijke ongegrond verklaard. Op pagina 2 van zijn beroepschrift heeft Mäkel een samenvatting gegeven van zijn bezwaren tegen deze beslissing.

Alvorens op deze bezwaren in te gaan, hecht Everaert eraan op te merken dat hij uit de door Mäkel ingediende processtukken de indruk heeft dat Mäkel vooral boos is over hetgeen is voorgevallen tussen zijn voormalig werkgever en hem. Everaert staat daar als bedrijfsarts buiten. Op de verwijten die Mäkel zijn deze werkgever maakt, zal Everaert dan ook niet ingaan. Dat geldt ook voor de verwijten die Mäkel het Regionaal Tuchtcollege maakt op pagina 9 van zijn beroepschrift.

Voorts distantieert Everaert zich van de uitlatingen die Mäkel doet op de website http://www.deloonslaaf.com.

Wel hecht Everaert eraan op te merken dat de wijze waarop Mäkel zich uitlaatover zijn werkgever, Arbo Unie, het Regionaal Tuchtcollege en Everaert naar zijn mening ongepast is. Het staat Mäkel uiteraard vrij om te laten weten waarmee hij het niet mee eens is en ook mag hij aangeven wat hem stoort. Van hem mag echter wel worden verwacht dat hij hierbij een zekere mate van respect en behoorlijkheid in acht neemt. Een aantal uitlatingen van Mäkel in zijn beroepschrift getuigt daar naar het oordeel van Everaert niet van. ln dat kader wijst Everaert er tevens op dat deze uitlatingen niet beperkt blijven tot de onderhavige procedure, maar dat Mäkel deze en andere niet mis te verstane en ongefundeerde uitlatingen ook op zijn voor eenieder toegankelijke website http://www.deloonslaaf.com doet.

Niettemin betreurt Everaert het dat Mäkel ontevreden is over zijn begeleiding. Everaert herkent zich echter niet in de verwijten die Mäkel hem maakt. Everaert heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Hetgeen Mäkel in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan dan ook niet leiden tot een gegrondbevinding van de door hem tegen Everaert ingediende klachten.

Voor een beschrijving van de begeleiding die Everaert Mäkel ruim tien jaar geleden (in 2007) heeft gegeven verwijst Everaert naar paragraaf 5 tot en met 30 van zijn verweerschrift in eerste aanleg.

Bezwaren

Standpunt over werkplek onvolledig weergegeven.

Als Everaert het goed begrijpt, is Mäkel van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege zijn standpunt onvolledig heeft verwoord in haar uitspraak, waardoor een onjuist beeld zou zijn ontstaan van zijn werksituatie in 2007. Volgens Mäkel mist in de beschikking van het Tuchtcollege dat tijdens de metingen van de luchtkwaliteit op de tekenkamer waar Mäkel destijds werkte geen sprake kon zijn van een ‘worst case’ scenario, omdat hij zelf op dat moment wegens werkweigering niet aanwezig was en er daarnaast drie deuren geopend waren, die normaliter op last van de directie dicht waren.

Everaert wijst erop dat hij bij de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van Mäkel niet de beschikking had over de uitkomsten van het arbeidshygiënisch onderzoek. De gewenste aanvulling van Mäkel is derhalve niet relevant voor het oordeel van het Tuchtcollege. Tenovervloede merkt Everaert op dat hij in beginsel mag afgaan op de uitkomsten van een arbeidshygiënisch onderzoek.

Voorts merkt Everaert op dat de door Mäkel gewenste aanvulling van de weergave van zijn klacht, niet wordt ondersteund door de resultaten van de meting van de luchtkwaliteit d.d. 14 november 2007 (productie 12 bij het klaagschrift van Mäkel d.d. 30 maart). In het naar aanleiding van de metingen opgemaakte rapport is vermeld dat er een volledige bezetting was ten tijde van het onderzoek (mogelijk zat op dat moment iemand anders op de werkplek van Mäkel) en dat het gebruikelijk was om de deuren naar de belendende ruimtes geopend te houden.

Verzuim behandeling van de klachten onder 4, 5 en 6

Mäkel stelt voorts dat het Tuchtcollege ten onrechte niet is ingegaan op de onder 4, 5 en 6 in zijn klaagschrift in eerste aanleg weergegeven klachten.

Het Tuchtcollege heeft echter aangegeven dat de klachten van Mäkel elkaar inhoudelijk overlappen en zij heeft zijn klachten samengevat in drie onderdelen, die zij vervolgens afzonderlijk heeft behandeld. Daarbij heeft het Tuchtcollege de klachten onder 4, 5 en 6 niet als zodanig benoemd, maar zij heeft deze klachten wel beoordeeld.

Klacht 4 bouwt voort op de klachten onder 2 en 3 in het klaagschrift van Mäkel, inhoudende dat Everaert zich niet zou hebben gehouden aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten (hierna: “STECR”) en aan het “Standpunt Claimbeoordeling”. Mäkel stelt dat hij als gevolg daarvan onbeschermd naar zijn “slechte” werkgever is teruggestuurd.

Het Tuchtcollege heeft in r.o. 5.4 en 5.5 geoordeeld dat Everaert niet in strijd met de STECR heeft gehandeld en dat hem in het licht van het Standpunt Claimbeoordeling evenmin een verwijt valt te maken ten aanzien van zijn handelen. Dat impliceert dat het Tuchtcollege van oordeel is dat Everaert Mäkel niet als gevolg van het handelen in strijd met voormelde richtlijnen ten onrechte naar zijn werkgever heeft teruggestuurd.

Daarbij heeft het Tuchtcollege terecht overwogen dat Mäkel geen medische beperkingen had die tot arbeidsongeschiktheid leidden. Als gevolg daarvan was er op grond van de STECR geen rol voor de bedrijfsarts, in casu Everaert, als procesbegeleider.

Voorts is de vijfde klacht van Mäkel dat het Everaert te verwijten valt dat het arbeidsconflict tijdens het eerste gesprek tussen Everaert en zijn voormalig werkgever na het spreekuurbezoek van 25 oktober 2007 zover escaleerde, dat Mäkel onrechtmatig ontslagen werd. Het Tuchtcollege heeft deze klacht meegenomen in haar oordeel dat het

Everaert niet te verwijten valt dat hij er op 25 oktober 2007 vanuit ging dat er nog niet daadwerkelijk een arbeidsconflict was. Dit conflict ontstond eerst toen Mäkel na 25 oktober 2007 ten onrechte (hiervoor waren immers geen medische gronden) geen gevolg gaf aan de oproeping van zijn werkgever om zijn werk te hervatten.

Daarbij zag Everaert in dat er mogelijk een arbeidsconflict zou ontstaan en heeft hij vanuit dat oogpunt geadviseerd om een mediator in te schakelen. Everaert staat buiten de verdere gebeurtenissen tussen Mäkel en zijn voormalig werkgever, waaronder de wijze waarop hun arbeidsovereenkomst is beëindigd. Everaert was daarvan destijds ook niet op de hoogte.

Tot slot houdt klacht 6 in dat Everaert (ook) toen Mäkel in 2007 RSI-klachten had niet heeft gehandeld in de geest van het Standpunt Claimbeoordeling. Het Tuchtcollege heeft deze klacht behandeld in r.o. 5.5 van haar uitspraak van 15 december 2017 en heeft overwogen dat Everaert als gevolg van de RSI-klachten medische beperkingen heeft vastgesteld en daarop adequaat heeft gereageerd in het licht van het Standpunt Claimbeoordeling.

Arbeidsconflict

De stellingen van Mäkel in de onderhavige procedure over het handelen van Everaert in strijd met de STECR, zijn gelijkluidend aan zijn stellingen daarover in eerste aanleg. Ook in het beroepschrift heeft Mäkel het stroomschema afkomstig uit de STECR weergegeven. Alleen heeft hij hierbij weggelaten de opmerking in de STECR dat voor de verdere rol van de bedrijfsarts bij een (dreigend) arbeidsconflict cruciaal is de vraag of er sprake is van medische beperkingen of niet. Als van medische beperkingen geen sprake is, zoals in het onderhavige geval, komt er in principe geen medische begeleiding of interventie aan te pas.

Everaert verwijst hierbij naar de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege van 21 november 2017 (ECL|:NL:TGZRSGR:2017:155). In r.o. 5.4 van die uitspraak heeft het Regionaal Tuchtcollege overwogen dat de betreffende bedrijfsarts niet in strijd met de STECR had gehandeld, zoals hem werd verweten. In het geval er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op medische grondslag, is het ~ zo overwoog het Tuchtcollege – aan de werkgever en de werknemer om in overleg te komen tot hervatting van werkzaamheden in eigen dan wel ander werk (binnen of buiten het bedrijf), dan wel tot een andere oplossing. De bedrijfsarts mocht er naar het oordeel van het Tuchtcollege vanuit gaan dat de klaagster het overleg met haar werkgever – zo nodig met behulp van mediation – na het consult zou voortzetten. Zo ook in het onderhavige geval, waar Mäkel en zijn werkgever bij weten van Everaert in gesprek waren over een oplossing. Omdat Everaert het niet ondenkbaar achtte dat dit overleg zou ontaarden in een conflict heeft hij mediation geadviseerd.

Everaert heeft derhalve een dreigend arbeidsconflict gesignaleerd, heeft dat op 25 oktober 2007 met Mäkel besproken en heeft daarover gerapporteerd. Hiermee heeft Everaert de STECR in acht genomen.

Daarbij heeft Everaert, ondanks dat de STECR geen richtlijn is die bedrijfsartsen verplicht moeten toepassen, gehandeld in de geest van deze richtlijn door Mäkel en zijn (voormalig) werkgever in overweging te geven een mediator in te schakelen om escalatie van het dreigende conflict te voorkomen. Dat de situatie tussen Mäkel en zijn werkgever vervolgens niet verbeterde, maar verslechterde, is vervelend voor Mäkel. Dat is Everaert echter niet aan te rekenen. Bovendien was Everaert daarmee destijds ook niet bekend.

Voorts heeft Everaert gehandeld overeenkomstig zijn taken op grond van het Standpunt Claimbeoordeling. Hij heeft adequaat gereageerd op de klachten die Mäkel uitte en hij heeft – ondanks dat hij geen medische beperkingen vaststelde – geadviseerd tot een werkplekonderzoek.

Onvolledig dossier

Tot slot leidt Everaert uit het beroepschrift van Mäkel af dat Mäkel hem verwijt dat de werknemersinformatiekaart met de weergave van de consulten en zijn adviezen onvolledig is. Mäkel geeft echter niet aan op welke punten de werknemersinformatiekaart onvolledig is en waarom Everaert daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is voor Everaert dan ook niet mogelijk om hierop inhoudelijk te reageren.

Everaert heeft bovendien de overtuiging dat hij de inhoud van de gesprekken met Mäkel adequaat en volledig heeft weergegeven in de werknemersinformatiekaart. Daarbij geldt dat een bedrijfsarts mag volstaan met het opnemen van een beknopte weergave van de essentiële zaken die tijdens een consult aan de orde komen.

Overigens is het niet aannemelijk dat Mäkel zich de inhoud van gesprekken, die meer dan tien jaar geleden hebben plaatsgevonden, nog woordelijk kan herinneren.

Afrondend

Het Regionaal Tuchtcollege heeft terecht geoordeeld dat de klachten van Mäkel kennelijk ongegrond zijn, nu Everaert bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en hetgeen in 2007 in de beroepsgroep ter zake als norm of als standaard was aanvaard. Everaert heeft dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Conclusie

Everaert verzoekt uw Tuchtcollege om het hoger beroep van Mäkel te verwerpen

Gemachtigde
(handtekening van mr. J.C. Rous)

 

Deze zaak (nr. 6794) is in behandeling bij mr. J.C. Rous, Stadermann Luiten Advocaten, Schouwburgplein 30-34, Postbus 1488, 3000 BL Rotterdam, telefoon O10 – 4444 369, telefax 010 – 4125 050.