bijlage: VERWEERSCHRIFT Kalteren

Deventer, 12 november 2015

Geachte mevrouw Gerrits,

In reactie op de klacht van de heer Mäkel stuur ik u hierbij mijn verweerschrift.

Mijn naam is Thea Margreet Kalteren, BIG-69021930301 en ik woon in Deventer.

In dit verweerschrift zal ik eerst de situatie toelichten zoals ik deze beleefd heb met daarbij een uitleg van wat er van mij verwacht wordt als bedrijfsarts, daarna zal ik op alle zes de klachten specifiek reageren.

Opmerking vooraf

Allereerst wil ik opmerken dat de klacht die door de heer Mäkel is ingediend bij uw Tuchtcollege, voor mij volstrekt onverwacht kwam. Zoals u in de klacht hebt kunnen lezen, heb ik de heer Mäkel slechts één keer gezien, namelijk op 7 augustus 2012. Na dit spreekuur heb ik geen (persoonlijk) contact meer met de heer Mäkel gehad en heeft hij ook op geen enkele manier laten weten dat hij niet tevreden was over mijn handelen en optreden als bedrijfsarts. Ik vind dat jammer omdat ik altijd streef naar open en transparante communicatie en altijd duidelijk probeer uit te leggen wat mijn taken als bedrijfsarts zijn.

De gebeurtenis waar de heer Mäkel over klaagt ligt inmiddels ruim 3 jaar achter ons. U kunt zich voorstellen dat ik die gebeurtenissen niet meer heel scherp op mijn netvlies heb en mij in mijn verweer deels heb moet baseren op mijn (medisch) dossier. Als Bijlage 1 stuur ik u daarom het (medisch) dossier/medische kaart met betrekking tot de heer Mäkel.

Situatie

De heer Mäkel was destijds in dienst van Werkgever B. Ik had en heb overigens geen contractuele relatie met deze werkgever. Als zelfstandig bedrijfsarts ben ik onder andere verbonden aan de Bedrijfsartsengroep. De Bedrijfsartsengroep heeft op haar beurt contacten met arbodiensten en werkgevers. Via de Bedrijfsartsengroep word ik ingeschakeld om bijvoorbeeld te beoordelen of een werknemer, die zich bij de werkgever ziek gemeld heeft, ziek is in de zin van de wet en of hij/zij nog in staat is passende werkzaamheden te verrichten. Anders dan de heer Mäkel suggereert, had ik dus geen contractuele relatie met de werkgever en verricht ik mijn werkzaamheden bovendien volledig objectief, onafhankelijk en zelfstandig. Dit volgt ook uit het Professioneel Statuut waar ik aan gebonden ben en uit de Arbowet.

Spreekuur

Op 6 augustus 2012 heb ik per mail van de door de werkgever ingeschakelde casemanager een aanvraag ontvangen voor een spreekuur naar aanleiding van een ziekmelding met daarbij een situatie schets. Het ging daarbij om de heer Mäkel die bij mij nog niet bekend was. lk heb deze bijgevoegd als Bijlage 2. Uit deze situatieschets kon ik afleiden dat de betrokken medewerker, de heer Mäkel, zich ziek gemeld had bij de werkgever en dat de werkgever deze ziekmelding niet geaccepteerd had of in elk geval twijfels had of de ziekmelding terecht was. De vraagstelling vanuit de werkgever was of het verzuim het gevolg is van ziekte of gebrek en, als er geen sprake was van ziekte, of ik de werknemer dan kon wijzen op de regels uit de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten. Daardoor was ook duidelijk dat er sprake was van een ziekmelding in relatie tot een arbeidsconflict tussen werkgever en werknemer.

Dit was voor mij voldoende informatie om het spreekuur in de juiste context te plaatsen. Ik heb dan ook geen verder overleg gehad met de werkgever. Ik ben het spreekuur open en objectief in gegaan en heb naar eer en geweten gehandeld zoals ook van mij verwacht mag worden. Het enkele feit dat ik via de casemanager voor het spreekuur de visie van de werkgever met een concrete vraagstelling heb gekregen maakt niet dat ik daardoor beïnvloed ben of niet meer objectief zou zijn, maar past juist binnen het kader van hoor en wederhoor wat ik toepas.

De heer Mäkel is vervolgens op 7 augustus 2012 op mijn spreekuur geweest. Ik heb hem zijn verhaal laten doen. lk heb uiteraard gedurende zijn verhaal hier en daar vragen gesteld om een voor mij helder beeld van de situatie te kunnen krijgen. Hij gaf niet aan dat hij bij een hulpverlener is geweest. Het verhaal ging volledig over de werksituatie, de ervaren onmacht, hoe hij zich niet eerlijk behandeld gevoeld heeft en een en ander werd door hem hier en daar meer uitgelegd.

Zowel tijdens het spreekuur maar ook uit de klacht blijkt wel dat de heer Mäkel zeer ontevreden was en is over de werkgever. lk heb dat uiteraard meegenomen in mijn beoordeling. Als bedrijfsarts was mij echter gevraagd of de heer Mäkel arbeidsongeschikt was ten gevolge van ziekte of gebrek. De medische beoordeling staat daarbij in eerste instantie centraal, naast het advies dat ik werkgever en werknemer meegeef.

Op basis van het relaas van de heer Mäkel heb ik mij specifiek gericht op zijn mentale belastbaarheid. Lichamelijke klachten werden door hem niet genoemd en waren ook niet zichtbaar zodat ik de noodzaak tot nader fysiek onderzoek niet aanwezig achtte. Ik heb daarom vooral gekeken naar zijn gedrag, voorkomen, verbale uitdrukkingsvaardigheden, snelheid van reageren, mimiek en emoties.

Beoordeling(skader)

Op basis van alle beschikbare informatie, waaronder het gesprek met de heer Mäkel, heb ik het oordeel geveld dat de situatie hem erg hoog zat en hem geraakt had, maar dat dit geen ziekte was en dat hij dus niet arbeidsongeschikt was.

Zijn “klachten” waren het gevolg van de situatie waarop hij reageerde (ik noem dat een normale reactie op een abnormale situatie) maar leidden niet tot beperkingen waardoor hij zijn eigen werk niet meer zou kunnen doen. Het hebben van klachten is niet hetzelfde als het niet kunnen uitvoeren van het eigen werk.

De heer Mäkel heeft tijdens het spreekuur de gelegenheid gekregen zijn verhaal te doen en van die mogelijkheid ook uitvoerig gebruik gemaakt. Er was duidelijk sprake van onvrede over de situatie, wat hem raakte. Hij voelde onmacht en ongelijkheid, hij had hier last van. Dat was de reden van zijn ziekmelding. Ik heb gezien hoe hij zijn verhaal deed en heb daarin als bedrijfsarts vastgesteld dat het hem wel raakte, maar hij was niet emotioneel instabiel, hyper in zijn gedrag of uiterlijk agressie tonend. Zijn manier van het verhaal vertellen en zijn houding bij mij op het spreekuur maakten duidelijk dat hij nog wel gewoon kon functioneren. Hij had geen emoties buiten de norm, welke een contra indicatie konden vormen op het beeld dat hij niet arbeidsongeschikt was.

Als bedrijfsarts moet ik een oordeel en advies geven over arbeidsongeschiktheid door ziekte; de bedrijfsarts stelt arbeidsongeschiktheid door ziekte vast en daarna kunnen beperkingen vastgesteld worden voor de uitvoer van bedongen arbeid. Er waren ook geen contra indicaties aanwezig die aanleiding gaven om tot een ander oordeel te komen, het gesprek ging volledig over de voor hem niet bevredigende werksituatie. En zonder deze vervelende werksituatie zou hij zich ook nooit ziek hebben gemeld, zo bevestigde hij. Desondanks was er voor mij geen aanleiding om te oordelen dat de heer Mäkel arbeidsongeschikt was.

Zijn mentale gesteldheid heb ik in mijn medische kaart beschreven. Mijn eindconclusie na dit spreekuur was dat hier geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid door ziekte, maar een heel normale reactie op een abnormale situatie welke tussen werkgever en werknemer speelde en tussen hen opgelost zou moeten worden. lk heb daarbij de STECR werkwijzer Arbeidsconflicten (destijds versie 5) hierbij toegepast en de heer Mäkel geadviseerd om het conflict te bespreken met zijn werkgever, zo nodig onder leiding van een onafhankelijke derde die het vertrouwen van werkgever en werknemer geniet. Ik heb daarbij ook mediation als een mogelijkheid genoemd.

Mijn advies heb ik bij afsluiting van het spreekuur mondeling aan hem medegedeeld, en daarna schriftelijk aan de casemanager en de heer Mäkel doorgegeven. Deze terugkoppeling is door de heer Mäkel met zijn klacht meegestuurd. Het spreekuur heeft ruim een half uur in beslag genomen en zeker niet enkele minuten zoals de heer Mäkel aangeeft in zijn klacht, dat is onmogelijk.

De terugkoppeling naar aanleiding van het spreekuur, welke uiteindelijk doorgegeven wordt aan zowel de werkgever als de werknemer, mag geen medische gegevens bevatten en betreft dus enkel mijn advies over wel of geen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte en eventuele beperkingen om bedongen arbeid te kunnen doen. Gezien de werkspanning heb ik expliciet in deze terugkoppeling benoemd dat dit arbeidsgerelateerd is en ook daar (tussen werkgever en werknemer) opgelost moet worden. Ik heb daarbij expliciet verwezen naar de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten zoals ik dat ook al mondeling aan de werknemer hebt verteld. Na het spreekuur heb ik dit ook nog mondeling toegelicht aan de casemanager; de werkgever heb ik echter zelf niet gesproken.

Tot slot merk ik op dat ik werkgever en werknemer gewezen heb op de mogelijkheid van een deskundigenoordeel bij het UWV. Dit staat ook in de terugkoppeling naar aanleiding van het spreekuur vermeld. Ik heb niet gehoord dat werkgever of werknemer daar gebruik van hebben gemaakt en uit de klachtbrief blijkt ook niet dat de werknemer een deskundigenoordeel heeft aangevraagd.

Na dit spreekuur heb ik geen contact meer gehad met de heer Mäkel of met de werkgever of casemanager over de heer Mäkel. Het contact met de heer Mäkel is dus slechts eenmalig geweest. Totdat ik de klachtbrief via uw Tuchtcollege heb ontvangen, ging ik er vanuit dat zij het probleem in onderling overleg hadden opgelost. Over de periode na 7 augustus 2012 is mij dus niets bekend en ik ben daar ook niet bij betrokken geweest. De gebeurtenissen tussen de heer Mäkel, zijn werkgever en het UWV spelen naar mijn mening dan ook geen rol in deze klacht.

Ik zal nu ingaan op de klachten die door de heer Mäkel zijn geformuleerd.

Reactie op de zes klachten

Klacht 1: mevrouw Thea Kalteren was niet geïnteresseerd in mijn gezondheid.

Uiteraard vind ik het vervelend dat de heer Mäkel het gevoel gehad heeft dat ik niet

geïnteresseerd was in zijn gezondheid. Indien hij dit tijdens het spreekuur of daarna had laten weten dan had ik dat misverstand meteen recht kunnen zetten. Als bedrijfsarts ben ik namelijk altijd geïnteresseerd in de gezondheid van degene die op het spreekuur komt. lk wil graag weten wat er speelt, hoe het met iemand gaat etc.

Dat in mijn terugkoppeling naar aanleiding van het spreekuur geen bevindingen over de gezondheid van de heer Mäkel staan vermeld is mijns inziens terecht, de privacy regels verplichten mij daar niets over te vermelden. Ik vermoed dat de heer Mäkel daaruit een onjuiste conclusie heeft getrokken. Dat in de terugkoppeling geen medische informatie mag staan, betekent dan ook niet dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat ik niet geïnteresseerd zou zijn in de gezondheid van de heer Mäkel. Het medisch dossier bevat die informatie wel, zo blijkt uit de medische kaart die ik als Bijlage 1 heb bijgesloten. En daaruit blijkt nu juist dat ik weldegelijk zorgvuldig zijn gezondheid heb onderzocht.

Deze klacht is in mijn ogen dan ook niet terecht.

Klacht 2: mevrouw Thea Kalteren had bij mij geen onderzoek gedaan naar mijn

gezondheid.

Zoals ik hiervoor heb vermeld heb ik weldegelijk onderzocht hoe het stond met de gezondheid van de heer Mäkel. Een lichamelijk onderzoek lag, gezien zijn klachten en zijn verhaal, niet voor de hand omdat hij geen fysieke klachten had. Zijn psychische klachten heb ik weldegelijk beoordeeld. lk heb hem beoordeeld op zijn voorkomen, hoe hij zijn verhaal deed, hoe hij emoties toonde en de interactie met mij. De status praesens is hierbij de beoordeling. De heer Mäkel gaf ook niet aan in behandeling te zijn, of verwezen te zijn. Dit staat overigens ook vermeld in de Medische Eerste Jaars Ziektewet beoordeling van 1 december 2014 onder het kopje Anamnese (pagina 28). Tijdens het spreekuur liet de heer Mäkel ook geen medicatie lijst zien. Hij benoemde verder zelf geen specifieke klachten.

Voor zover de heer Mäkel erover klaagt dat ik als bedrijfsarts altijd een lichamelijk onderzoek moet doen dan denk ik dat die klacht c.q. aanname ook niet juist is. Het onderzoek dat ik doe moet afgestemd zijn op de klachten die iemand heeft en lichamelijk onderzoek hoeft dus niet uitgevoerd te worden als er geen aanleiding is om fysieke klachten aan te nemen of te veronderstellen.

Ook deze klacht is in mijn ogen niet terecht.

Klacht 3: er ontbreekt een onderbouwing voor de diagnose van Thea Kalteren.

De bedrijfsarts stelt geen behandeldiagnose, wel een probleemdiagnose. De onderbouwing voor mijn advies staat in mijn medische kaart en is niet openbaar voor de werkgever. Dat in de terugkoppeling naar aanleiding van het spreekuur geen medische onderbouwing staat is juist en volgt, zoals ik al eerder heb aangegeven, uit de privacyregels en mijn beroepsgeheim. In het medisch dossier (Bijlage 2) is die onderbouwing wel terug te vinden. Indien de heer Mäkel zijn klacht eerst met mij besproken had of het medisch dossier had opgevraagd dan had hij die informatie uiteraard ontvangen en was dit misverstand niet ontstaan.

Het advies geen arbeidsongeschiktheid door ziekte is een vaststelling en geen diagnose. In het geval van klachten worden deze vastgesteld, welke tot een diagnose zouden kunnen leiden als er ziekte is. In dit geval waren de klachten niet dusdanig dat ik tot een diagnose passend bij ziekte gekomen ben. De klachten waren duidelijk gerelateerd aan en voortkomend uit het arbeidsconflict. De klachten waren dus niet gerelateerd aan een ziektebeeld.

Ook deze klacht is in mijn ogen niet terecht.

Klacht 4: mevrouw Thea Kalteren heeft verwijtbaar een foutieve diagnose gesteld.

De heer Mäkel is het kennelijk niet eens geweest met mijn oordeel en advies. Dat mag. Ik blijf echter bij mijn standpunt dat mijn diagnose en advies, op basis van de informatie en gegevens die toen beschikbaar waren, juist zijn geweest. Bovendien heb ik de heer Mäkel zowel mondeling als schriftelijk gewezen op de mogelijkheid om een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen om zodoende mijn oordeel en advies te laten toetsen. Dat heeft hij niet gedaan.

Dat een verzekeringsarts (de heer Jansen) bijna anderhalf jaar later tot een ander oordeel komt betekent niet dat mijn beoordeling en advies onjuist zijn geweest. De heer Jansen heeft zijn oordeel gebaseerd op de situatie en de informatie die zich in januari 2014 voordeed naar aanleiding van een ziekmelding op 17 december 2013. De beoordeling is dan ook in een volstrekt andere situatie gedaan. Op dat moment hadden zich allerlei nieuwe ontwikkelingen voorgedaan waar ik ten tijde van mijn beoordeling uiteraard nog niet op kon anticiperen.

Op het moment van beoordeling, de datum 7 augustus 2012, achtte ik hem niet arbeidsongeschikt door ziekte. Er blijft staan dat hij wel last had van de situatie. In de loop van de tijd kunnen klachten toenemen. Het blijft een advies op dat moment. Dit is gedaan op basis van mijn beoordeling van zijn status praesens gedurende het spreekuur op 7 augustus 2012. Collega Jansen van het UWV heeft een eigen, nieuwe beoordeling gedaan. Dit is één jaar en vijf maanden later, wat niet één op één over te zetten is als zijnde dezelfde situatie. In dit verslag van 23 januari 2014 wordt bij het lichamelijk onderzoek overigens ook alleen de status praesens besproken (de heer Mäkel wordt hierin overigens aangeduid als een vrouw, zie 2.2) en heeft het onderzoek kennelijk ook bestaan uit een spreekuur en een dossierstudie zoals ik dat heb gedaan. Desondanks is de heer Mäkel kennelijk wel tevreden over dit onderzoek en niet over mijn onderzoek, dit terwijl de aanpak identiek is geweest.

Ook deze klacht is in mijn ogen niet terecht.

Klacht 5: mevrouw Thea Kalteren heeft met opzet een foutieve diagnose gesteld.

Deze klacht is toch wel het meest vergaand. Door te stellen dat ik met opzet een onjuiste diagnose heb gesteld, kennelijk met het doel om de werkgever te helpen om de heer Mäkel weg te pesten, raakt de heer Mäkel aan enkele van de meest fundamentele uitgangspunten waar bedrijfsartsen zich aan dienen te houden: onafhankelijkheid en objectiviteit.

Als bedrijfsarts heb ik deze basiseisen hoog in het vaandel staan. Vandaar dat deze klacht mij persoonlijk enorm raakt. Ik heb zowel voorafgaand als na het spreekuur geen contact gehad met de werkgever, enkel met de casemanager. Daarbij heb ik informatie gekregen waaruit ik de visie van de werkgever op de situatie kon afleiden en heb ik tijdens het spreekuur de visie van de werknemer gekregen. Niets meer en niets minder. Van een opzettelijk foutieve diagnose is absoluut geen sprake geweest en ik vind het kwetsend en verwerpelijk dat de heer Mäkel een dergelijke ongefundeerde klacht heeft ingediend.

Ook deze klacht is in mijn ogen onterecht.

Klacht 6: mevrouw Thea Kalteren heeft niet in het belang van de patiënt

gehandeld, maar in het belang van de opdrachtgever.

lk begrijp en respecteer dat de heer Mäkel kennelijk een andere uitkomst had gehoopt of verwacht naar aanleiding van het spreekuur. Zoals de heer Mäkel ook zelf aangeeft dien ik als bedrijfsarts zowel oog te hebben voor de belangen van de werkgever als de werknemer. Deze belangen lopen niet altijd parallel maar dit is ook niet erg. In dit geval heb ik naar eer en geweten gehandeld en beide belangen zo goed mogelijk en binnen mijn mogelijkheden gediend en gerespecteerd. Voor het overige verwijs ik naar wat ik hiervoor al heb vermeld.

Ook deze klacht is in mijn ogen niet terecht.

Conclusie

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de klachten die de heer Mäkel tegen mij heeft ingediend, niet terecht en dus ongegrond zijn. Een deel van zijn klachten vloeit waarschijnlijk voort uit een misverstand over wat ik in een terugkoppeling richting de werkgever mag zetten en de (vrije) interpretatie die de heer Mäkel daar zelf aan heeft gegeven. Het andere deel van de klachten is louter gebaseerd op het persoonlijke beeld dat de heer Mäkel van zijn situatie met zijn werkgever heeft, waarbij hij mij een rol heeft toebedeeld die ik nooit heb vervuld en nooit heb willen invullen.

lk heb altijd naar eer en geweten, zonder enig belang naar wie dan ook toe, mijn taken uitgevoerd en mijn oordeel gebaseerd op het spreekuurcontact wat geweest is en de indruk die ik toen van de heer Mäkel gekregen heb. Ik respecteer iedereen in hoe hij of zij het spreekuur ervaren heeft, en of hij of zij het wel of niet met mij eens is. Ik hanteer zelf de werkwijze dat, in het geval van onvrede over het resultaat en/of bejegening tijdens het spreekuur, ik dit graag hoor en daarna een tweede, gratis gesprek inplan om dit uit te praten. Ik betreur het dat ik in deze situatie geen terugkoppeling gehad heb over de ontevredenheid van de heer Mäkel. Ik zie het als een gemiste kans dat hij niet direct aansluitend aan het advies geprobeerd heeft, hetzij via het UWV, hetzij rechtstreeks via mij dit bespreekbaar te maken.

Tot slot

Ik betreur dat de heer Mäkel nu, ruim 3 jaar na dato, een klacht heeft ingediend naar aanleiding van één enkel spreekuur zonder zijn onvrede eerst met mij te bespreken. Ik had dat op prijs gesteld omdat het mij de gelegenheid geboden had om uitleg te geven en mijn visie op de gebeurtenissen waar ik bij betrokken ben geweest, te geven. Door dit niet te doen heeft de heer Mäkel een eigen beeld gecreëerd dat ver staat van de waarheid.

Ik begrijp bovendien dat hij een boek over al zijn ervaringen aan het schrijven is waar ook ik in voorkom. Ik laat voor nu in het midden wat ik daar van vind maar het wekt bij mij wel het gevoel dat deze klachtprocedure louter is ingezet om een extra hoofdstuk voor zijn boek te kunnen vullen. Ik meen dat iedereen recht heeft op een klacht maar dat het tuchtrecht wel bedoeld is om serieuze klachten aan de orde te stellen en niet als vulling voor een boek.

Na ontvangst van zijn klaagschrift heb ik geprobeerd om in contact te komen met de heer Mäkel om alsnog persoonlijk over zijn klacht te spreken. Helaas bleek de heer Mäkel niet bereikbaar en heeft hij tot op heden geen contact met mij opgenomen naar aanleiding van mijn voicemailbericht.

In vertrouwen u voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

T.M. Kalteren

Bijlagen:

  1. Medisch dossier / Medische kaart
  2. Aanvraag voor spreekuur d.d. 6 augustus 2012