Nederland is een dictatuur – deel 13

IN BEROEP BIJ HET TUCHTCOLLEGE

Ik had aan de hand van diverse aan den lijve ondervonden rechtszaken al het een en ander meegemaakt in “onze” zogenaamde rechtsstaat, maar dat het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle de arrogantie en minachting had om op een dergelijke wijze mij in mijn ongelijk te stellen, dat had ik nooit verwacht. Blijkbaar had het Tuchtcollege de ervaring, dat men hiermee wegkwam. De voorzitters bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg en de Orde van Advocaten zijn in het dagelijks leven van beroep rechter. Dit zou zogenaamd de kwaliteit van de tuchtcolleges moeten waarborgen, maar dat blijkt geenszins het geval te zijn. Ik heb meerdere tuchtrechtelijke procedures gevoerd (totaal 6, waarvan er nog 2 lopen), zodat ik mijn bewering met meerdere voorbeelden zal onderbouwen in deze reeks artikelen “Nederland is een dictatuur” en in andere (nog te plaatsen) artikelen op deze website.

In ieder geval was ik het totaal niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Ik tekende dan ook beroep aan, zodat mijn zaak door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag zou worden behandeld. In mijn beroepsschrift van 5 december 2016 had ik de onderstaande negen bezwaren tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle uiteengezet:

  1. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat bij het weergeven van mijn versie van de gebeurtenissen en mijn daarbij behorende standpunten, het Tuchtcollege de meest essentiële zaken heeft weggelaten, waaronder dat volgens mijn versie het spreekuurbezoek maximaal drie minuten had geduurd. Door het toepassen van deze censuur ontstaat een onvolledig en verkeerd beeld van mijn versie van het verhaal.
  2. Op bladzijde 1 van de beslissing wordt bij punt 1 “het verloop van de procedure” een lijst met stukken getoond, die bij de procedure door het Tuchtcollege zijn gebruikt. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat in deze lijst mijn schriftelijke reactie op “een tweetal aanvullende producties aan de zijde van verweerster” Mijn reactie is gedateerd op 10 juni 2016 en wordt in de beslissing wel genoemd bovenaan bladzijde 2, waar mijn reactie wordt aangeduid met “reactie van 14 juni 2016 van de zijde van klager”.
  3. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat mijn bovengenoemde reactie, gedateerd op 10 juni 2016, inhoudelijk op geen enkele wijze door het Tuchtcollege in de beslissing is aangehaald, terwijl door het Tuchtcollege wel wordt vermeld, dat naar aanleiding van mijn reactie uitbreiding en/of herformulering van de klacht niet was toegelaten.
  4. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren en haar diverse standpunten als feiten heeft neergezet. Dit is onder meer mogelijk gemaakt, doordat het Tuchtcollege de essentiële zaken van mijn versie van het verhaal heeft gecensureerd en in de beslissing de tegenstrijdigheden in de bewijsstukken en documenten niet heeft behandeld.
  5. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege in de beslissing heeft geschreven, dat sprake moet zijn van een deugdelijk en compleet rapport teneinde het door de bedrijfsarts uitgevoerde onderzoek te kunnen toetsen, terwijl het Tuchtcollege met geen enkel woord rept over het feit dat de spreekuurrapportage van mevrouw Kalteren totaal niet deugdelijk en tevens incompleet was.
  6. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege in de beslissing heeft gesteld dat mijn arbeidsconflict overeenkomt met “versie C”, zoals deze is omschreven in de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten, zonder dat het Tuchtcollege heeft onderbouwd waarom het Tuchtcollege van mening is dat deze versie op mijn situatie van toepassing zou zijn, terwijl juist de onderbouwing van het correct toepassen van de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten de essentie is van deze tuchtrechtelijke procedure. Bij deze onderbouwing zouden de door mevrouw Kalteren gegeven omschrijving, kenmerken, bevindingen en conclusies aangaande mijn arbeidsconflict door het Tuchtcollege moeten worden getoetst.
  7. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege van mening is dat mevrouw Kalteren voldoende “hoor en wederhoor” had toegepast, door de opdracht van de casemanager aan te nemen (de casemanager is niet een “representatieve vertegenwoordiger” van mijn werkgever), terwijl in de STECR Werkwijzer expliciet wordt vermeld dat grote waarde wordt gehecht aan het toepassen van hoor en wederhoor met het doel de oorzaken van het conflict in het spreekuurverslag te vermelden. Dit betekent dat niet alleen ik diende te worden gehoord, maar ook een “representatieve vertegenwoordiger” van mijn werkgever.
  8. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege diverse activiteiten en punten niet heeft benoemd, die mevrouw Kalteren volgens de STECR Werkwijzer wel had moeten uitvoeren én vastleggen. Ongeacht welke versie op mijn conflict van toepassing zou zijn, heeft mevrouw Kalteren zich op diverse andere door het Tuchtcollege genegeerde punten niet gehouden aan de STECR Werkwijzer.
  9. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege van mening is dat mevrouw Kalteren ervan af mocht zien een interventieperiode in te lassen, omdat volgens het Tuchtcollege mijn werkgever reeds een interventieperiode had ingelast.

Bij punt 6 had ik bezwaar gemaakt, dat het Tuchtcollege zonder enige onderbouwing had vastgesteld, dat mijn arbeidsconflict overeen kwam met “versie C” uit de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten versie 5. “Versie C” gaat over een recentelijk ontstaan arbeidsconflict. In STECR staat bij de uitleg van “versie C” dan ook onder meer:

“Kenmerkend voor deze situatie is dat de klachten niet al geruime tijd voorafgaand aan de ziekmelding bestaan, maar meestal zijn ontstaan direct aansluitend aan een recent conflict.”

Dat het Tuchtcollege zonder enige onderbouwing durfde te beweren, dat in mijn geval “versie C” van toepassing was, was om drie redenen zeer opmerkelijk. Ten eerste zou bij een eerlijke rechtsgang door het Tuchtcollege een onderbouwing (motiveringsvereiste) gegeven moeten worden. Middels deze onderbouwing zou moeten zijn uitgelegd, waarom in mijn geval sprake zou zijn van “versie C”. Ten tweede geeft volgens STECR “versie C” voor de betrokken partijen de meeste problemen, omdat moet worden bepaald of wel of niet sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid en daarbij moet worden gekeken hoe het recent ontstane arbeidsconflict dient te worden opgelost. Om deze reden gaat STECR uitgebreid in op “versie C”. Hierbij wordt omschreven op welke wijze de bedrijfsarts dient te onderzoeken of “versie C” van toepassing is en waarmee zoal rekening gehouden dient te worden. Dit onderzoek had mevrouw Kalteren totaal niet gedaan en het Tuchtcollege ook niet, terwijl aan de hand van de opdracht aan mevrouw Kalteren simpel de conclusie kon worden getrokken, dat “versie C” in mijn geval nooit van toepassing geweest kon zijn. Ten derde was “versie C” op mijn situatie niet van toepassing, daar het in mijn geval om een langdurig arbeidsconflict ging. Dit was bewezen met zowel het medisch dossier van mijn huisarts, als de opdracht aan mevrouw Kalteren, waarin stond dat mijn huidige functie onherstelbaar beschadigd was. Een functie zou nooit onherstelbaar beschadigd kunnen zijn door een recent ontstaan arbeidsconflict. Indien dit toch het geval geweest was, dan had mevrouw Kalteren mij situatief arbeidsongeschikt moeten verklaren en dus nooit terug aan het werk mogen sturen.

Het volledige beroepsschrift (exclusief bijlagen) kunt u hier lezen.

Het verweerschrift van mevrouw Kalteren was wederom ondertekend door de heer Pascal Willems van WVO Advocaten te Loenen en was gedateerd op 24 januari 2017. Het volledige verweerschrift kunt u hier vinden. De heer Willems had mijn negen bezwaren stuk voor stuk behandeld en bleef ontkennen, dat mevrouw Kalteren tuchtrechtelijk iets te verwijten viel. Hieronder kunt u enkele citaten uit het verweerschrift lezen:

{…}

Net als (de meeste) artsen is mevrouw Kalteren ooit arts geworden omdat zij er voldoening uit haalt om mensen te helpen op medisch gebied. Zij is dus een hulpverlener puur sang.

In de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege heeft mevrouw Kalteren duidelijk uiting gegeven aan het feit dat de klachten van de heer Mäkel haar enorm aangrijpen. De reden waarom dit haar zo raakt, is niet alleen dat zij volledig te goeder trouw is geweest in haar handelen. Tijdens het spreekuur op 7 augustus 2012 heeft zij de klachten van heer Mäkel serieus, met voldoende aandacht en vanuit de professionele standaarden beoordeeld en heeft zij vervolgens een advies gegeven over hoe partijen verder konden, zonder dat er sprake is geweest van vooringenomenheid of een doelredenering. Maar wat haar misschien nog wel het meeste aangrijpt, is het feit dat de heer Mäkel mevrouw Kalteren, en inmiddels ook andere betrokkenen zoals de verzekeringsarts en zelfs het Tuchtcollege te Zwolle, beschuldigt van samenspanning, vooringenomenheid, valsheid in geschrifte en censuur, terwijl zij hem slechts een keer heeft gezien tijdens een spreekuur en daarna ruim 3 jaar (!) niets meer heeft gehoord. De manier waarop de heer Mäkel mevrouw Kalteren en anderen lukraak beschuldigt van zelfs strafbare feiten, zonder enige reële onderbouwing en onder dreiging om zijn boekwerk openbaar te maken om zodoende ook de eer en goede naam van mevrouw Kalteren te beschadigen, is ronduit stuitend. Mevrouw Kalteren beseft dat een klager een grote mate van vrijheid heeft om zijn klachten te formuleren, maar meent ook dat het op de weg ligt van een Tuchtcollege om op te treden als de klager beschuldigingen uit die hij niet kan onderbouwen, maar die de eer en goede naam van de beklaagde zwaar beschadigen.

{…}

De omvang van de door de heer Mäkel geproduceerde stukken laat simpelweg niet toe om alles in detail te bespreken.

{…}

Overigens is het kenmerkend voor de visie van de heer Mäkel dat een ieder die zijn mening of visie niet deelt, deel neemt aan een complot tegen hem of macht of posities tegen hem gebruikt. Censuur is immers het aanwenden van macht om te voorkomen dat bepaalde informatie naar buiten wordt gebracht. Het beschuldigen van het Regionaal Tuchtcollege van censuur, impliceert het ontbreken van objectiviteit en onafhankelijkheid van het Regionaal Tuchtcollege, kernwaarden die elke rechtsprekende instantie juist hoog in het vaandel heeft staan en die ook in het professioneel statuut van de bedrijfsartsen is opgenomen.

{…}

Het verwijt van censuur door het Regionaal Tuchtcollege, door moedwillig bepaalde zaken weg te laten zodat er een ander beeld ontstaat, suggereert opzet aan de zijde van het Tuchtcollege. Die opzet wordt op geen enkele manier aannemelijk gemaakt en is onnodig diffamerend. Ook mevrouw Kalteren wordt verweten met opzet de STECR Werkwijze Arbeidsconflicten niet toegepast te hebben, eveneens zonder enig bewijs voor deze zware beschuldiging. De heer Mäkel schroomt er dus niet voor om te strooien met zware beschuldigingen, zonder daarvoor afdoende objectief bewijs aan te voeren.

{…}

Zij heeft gehandeld conform de STECR Werkwijzer 5 die destijds geldend was.

{…}

Hoewel de heer Mäkel wel (lichte) spanningsklachten had, waren deze niet zodanig dat dit naar de mening van de mevrouw Kalteren leidde tot het oordeel dat hij niet in staat zou zijn tot het verrichten van de bedongen arbeid. De heer Mäkel kon immers goed zijn verhaal vertellen en onder woorden brengen waarom hij het niet eens was met zijn werkgever. Zijn klachten konden derhalve worden samengevat als “een normale reactie op een abnormale situatie.” Er waren bovendien geen bijkomende omstandigheden die een contra-indicatie boden voor het oordeel dat de heer Mäkel niet arbeidsongeschikt was.

De heer Mäkel heeft dit ook bevestigd in zowel de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege als in zijn beroepschrift. Zo schrijft hij op pagina 12 van zijn beroepschrift:

“Het moge duidelijk zijn dat ik inderdaad geen (andere) medische klachten had genoemd.”

{…}

In de procedure heeft de heer Mäkel ook zelf diverse keren erkend dat hij geen nadere medische informatie heeft verstrekt aan mevrouw Kalteren,{…}

{…}

Van een langdurig conflict dat ook langdurig klachten veroorzaakte was, in de beleving van mevrouw Kalteren, dan ook geen sprake.

{…}

De bedrijfsarts hoeft niet aan waarheidsvinding te doen, maar moet zich een voldoende beeld van de situatie vormen om dit te betrekken bij diens oordeel.

{…}

Het is echter niet aan het Regionaal Tuchtcollege om op basis van de door de heer Mäkel geformuleerde klachten het handelen van mevrouw Kalteren volledig te toetsen aan elke richtlijn of Werkwijzer die hij heeft genoemd.

{…}

Daarbij heeft zij geoordeeld dat de heer Mäkel niet arbeidsongeschikt was en dat hij en zijn werkgever met elkaar in gesprek zouden moeten gaan over een oplossing van het conflict, eventueel met betrokkenheid van de advocaat die de heer Mäkel had. Voor een advies om mediation in te zetten was nog geen aanleiding, aangezien de werkgever nog in gesprek wilde met de heer Mäkel en niet bij voorbaat viel uit te sluiten dat dat gesprek geen zin zou hebben.

{…}

Bij hef beroepschrift heeft de heer Mäkel 6 bijlagen overgelegd. Deze bijlagen zijn al eerder in de procedure gebracht en besproken. De stukken die betrekking hebben op de discussie tussen de heer Mäkel en de afdeling PZ van diens werkgever, heeft mevrouw Kalteren pas voor het eerst in deze procedure onder ogen gehad. Zij is daar nadrukkelijk niet bij betrokken geweest en kan daar dus verder ook niets over zeggen.

{…}

Er is geen enkel (begin van) bewijs dat mevrouw Kalteren op basis van de haar beschikbare informatie anders had moeten handelen.

{…}

De heer Mäkel is er duidelijk op uit om iemand te laten boeten voor het leed dat zijn werkgever hem heeft aangedaan en daarbij betrekt hij alles en iedereen die hij maar kan verbinden aan de werkgever. Het Medisch Tuchtrecht is daar echter niet voor bedoeld.

{…}

Voor zover de klachten van de heer Mäkel zich dus richten op de medische beoordeling door mevrouw Kalteren, kan dit er nooit toe leiden dat zij in strijd met de in de beroepsgroep geldende norm heeft gehandeld, simpelweg omdat die norm er niet is!

In bovenstaande citaten was volgens de heer Pascal Willems sprake dat ik een advocaat had. Ik had ten tijde van het spreekuurbezoek bij mevrouw Kalteren nog geen advocaat in de arm genomen en als ik dit wel had gedaan, hoe ernstig zou het arbeidsconflict dan zijn geweest? Verder vind ik commentaar op bovenstaande citaten onnodig, omdat ik de gemiddelde lezer slim genoeg inschat om in te zien wat hierboven door de heer Pascal Willems is geschreven en welke implicaties zijn argumenten hebben. Wat betreft mensen, die in hun onnozelheid nog altijd tegen advocaten (en rechters!) opkijken, raad ik dan ook aan aandachtig deze reeks artikelen te lezen, waarbij het gedrag en de handelwijze van advocaten (en rechters) uitvoerig aan bod komt.

DE ZITTING BIJ DE BEROEPSPROCEDURE

De zitting vond plaats op 4 april 2017 in het Paleis van Justitie te Den Haag. Het is interessant om te vermelden, dat één van de leden van het college een bedrijfsarts was. Waarom had het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle er niet voor gezorgd dat een bedrijfsarts tot de leden van het Tuchtcollege behoorde? Dat zou toch veel makkelijker zijn geweest?

Verder vind ik het vermeldenswaardig, dat mevrouw Kalteren met groot gevoel voor theater, inclusief tranen, haar versie van het verhaal aan het Tuchtcollege had verteld. Daarbij presenteerde zij zichzelf indirect als slachtoffer, omdat zij volgens haar zeggen door deze tuchtrechtelijke procedure zo onzeker was geworden. Wat een onzin! Wanneer mevrouw Kalteren destijds eenvoudig de stappen volgens de STECR Werkwijzer had gevolgd, dan was er geen reden geweest om een tuchtrechtelijke procedure tegen haar te beginnen! Met al haar leugens en gemanipuleer probeerde zij ook bij deze zitting te verhullen dat zij destijds met opzet in gebreke was gebleken.

Dan komt nu de beslissing in beroep van het Centraal Tuchtcollege aan de orde. De basis van mijn beroepschrift omvatte negen bezwaren tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle. Lijkt het u niet logisch, dat deze negen bezwaren door het Centraal Tuchtcollege in haar beslissing behandeld zouden worden? Helaas… Het Centraal Tuchtcollege had eveneens zeer summier een toelichting gegeven in de beslissing. De volledige beslissing vindt u hier en bestaat voor het grootste gedeelte uit een citaat van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle. In essentie behelst onderstaand citaat de beslissing van het Centraal Tuchtcollege:

3          Vaststaande feiten en omstandigheden

3.1       Klager heeft in beroep aangevoerd dat het Regionaal Tuchtcollege in de beslissing in eerste aanleg bij de vaststelling van de feiten de standpunten van de bedrijfsarts als feiten heeft gepresenteerd.

3.2       Anders dan klager is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat overweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg een correcte weergave behelst van de feiten die relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Het Centraal Tuchtcollege zal voor de beoordeling van het beroep van die feiten uitgaan.

4          Beoordeling van het beroep

4.1       In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht. De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.2       Het Centraal Tuchtcollege vat, evenals het Regionaal Tuchtcollege, de klachten van klager aldus op dat klager van mening is dat het onderzoek van de bedrijfsarts onzorgvuldig en niet concludent is geweest voor het daaropvolgende advies dat hij niet arbeidsongeschikt is.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege stelt bij de beoordeling van deze klacht voorop dat een bedrijfsarts een belangrijke taak heeft bij het op constructieve wijze doen laten terugkeren van een werknemer in het arbeidsproces. Aangezien het oordeel van een bedrijfsarts van doorslaggevend belang is of kan zijn, is zorgvuldigheid bij de totstandkoming en motivering van zijn of haar oordeel over de mate van arbeids(on)geschiktheid geboden. In geval van een arbeidsconflict raadpleegt de bedrijfsarts daarbij de Werkwijze Arbeidsconflicten, Stichting Expertisecentrum Re-integratie (STECR). Ten tijde van de onderhavige casus (augustus 2012) was versie 5 van de genoemde Werkwijzer, van februari 2010, van toepassing.

4.4       Ten aanzien van het door de bedrijfsarts verrichte onderzoek overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De spreekuuraantekeningen van 7 augustus 2012 en de (op dezelfde dag uitgewerkte) medische kaart geven het Centraal Tuchtcollege onvoldoende inzicht in de klachtenanamnese en de verrichte onderzoeken door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft daarover ter zitting verklaard dat zij klager tijdens het spreekuur heeft beoordeeld en dat zij in haar aantekeningen heeft vastgelegd wat zij heeft gezien. De bedrijfsarts heeft verklaard de gewoonte te hebben tijdens het spreekuur een vraag te stellen teneinde te toetsen hoe de werknemer er ‘mentaal in staat’. Nu klager hierop geen emotie liet zien en hij ook voorts zijn verhaal helder en zonder boosheid kon vertellen, bestond er voor de bedrijfsarts geen aanleiding te vermoeden dat klager ziek was. Zij heeft om die reden dan ook geen aanleiding gezien (door) te vragen naar zijn klachten. De bedrijfsarts heeft verklaard dat zij tijdens haar spreekuur alleen naar klachten vraagt indien daar aanleiding toe bestaat, hetgeen in het onderhavige geval naar haar mening niet het, geval was. Zij heeft het spreekuur afgesloten door klager te vragen of hij, indien hij geen conflict met zijn werkgever zou hebben gehad, zich ook zou hebben ziekgemeld. Toen klager daarop ontkennend antwoordde heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat bij klager geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte maar dat sprake was van een arbeidsconflict met daaraan gerelateerde klachten.

4.5       Mede gelet op hetgeen is vastgelegd in versie 5 van de werkwijze STECR, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het afnemen van een klachtenanamnese in het onderhavige geval geboden was. In de in dit geval van toepassing zijnde ‘situatie C’ (ziekmelding als direct gevolg van een arbeidsconflict) van de werkwijze STECR dient de bedrijfsarts in het kader van de diagnostiek immers (onder meer) de vraag te beantwoorden of er medische beperkingen bestaan voor de bedongen arbeid. Voorts dient de bedrijfsarts op grond van de werkwijze na te gaan hoe het traject van de klachten en het niet werken is verlopen. Het Centraal Tuchtcollege stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat de bedrijfsarts niet heeft (door)gevraagd naar klagers medische klachten en in welke mate dit voor klager een belemmering vormde of – bij werkhervatting – kon vormen om de bedongen arbeid te verrichten. Door na te laten een klachtenanamnese bij klager af te nemen heeft de bedrijfsarts een oordeel over de arbeids(on) geschiktheid van klager gegeven, terwijl zij niet zeker kon weten of zij over voldoende informatie beschikte. Daarmee is het door de bedrijfsarts uitgevoerde onderzoek naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet voldoende zorgvuldig geweest. Hiermee is overigens niet gezegd dat de conclusie ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid anders was geweest wanneer zij tijdens haar spreekuur wel een uitgediepte anamnese en een lichamelijk onderzoek had verricht. Dit laatste doet echter niet af aan het oordeel omtrent de onzorgvuldigheid van het onderzoek van de bedrijfsarts.

4.6       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht, voor zover daarmee is betoogd dat het onderzoek van de bedrijfsarts niet zorgvuldig is geweest, gegrond is.

4.7       Het Centraal Tuchtcollege acht de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend. Bij dit oordeel neemt het Centraal Tuchtcollege in aanmerking dat de bedrijfsarts bij de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klager, klaarblijkelijk op het verkeerde been is gezet doordat klager en zijn werkgever het er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict.

5          Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de klacht alsnog gegrond;

legt aan de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorzitter, prof. mr. J. Legemaate en mr. A.R.O. Mooy, leden-juristen; mr. drs. MJ. Kelder en drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden-beroepsgenoten en mr. A.R. Sijses, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 mei 2017.

In bovenstaande beslissing van het Centraal Tuchtcollege werd met geen woord gerept over mijn negen bezwaren! Vindt u dat niet bizar? Ik wel! Vervolgens staat onder 3.2:

Anders dan klager is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat overweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg een correcte weergave behelst van de feiten die relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggende geschil.

Bovenstaand citaat betekent, dat ook het Centraal Tuchtcollege de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren voor waar had aangenomen, zoals dat was beschreven in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege! Hierbij werd door het Centraal Tuchtcollege geen onderbouwing gegeven, net zoals het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle had nagelaten een onderbouwing te geven. Bij de beslissing werden dus niet alleen mijn negen bezwaren genegeerd, maar werd tevens geen motivatie gegeven, waarom het verhaal van mevrouw Kalteren waar zou zijn. Dit betekende dat volgens het Tuchtcollege mijn versie van het verhaal dus niet waar zou zijn! Het was niet in de beslissing geschreven, maar dit zou dus volgens het Tuchtcollege betekenen, dat ik een leugenaar was!

Vervolgens werd bij 4.2 door het Tuchtcollege gesteld “dat het onderzoek van de bedrijfsarts onzorgvuldig en niet concludent” was. Daarop werd in 4.4 door het Tuchtcollege beschreven hoe het onderzoek door mevrouw Kalteren was uitgevoerd, waarbij de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren werd gegeven! Mijn versie van de gebeurtenissen werd wederom volledig door het Centraal Tuchtcollege genegeerd, dat niets anders is dan censuur.

In 4.5 werd vervolgens geschreven, dat in mijn geval volgens de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten “versie C” van toepassing was. Het Centraal Tuchtcollege had evenals het Regionaal Tuchtcollege geen onderbouwing gegeven, waarom in mijn geval sprake zou zijn van “versie C”! Ik had in mijn beroepschrift duidelijk uitgelegd (en bewezen), dat in mijn geval “versie C” niet van toepassing kon zijn, omdat mijn arbeidsconflict geen incident betrof, maar een langdurig conflict, waarbij mijn huidige werksituatie onherstelbaar was beschadigd.

In 4.6 concludeerde het Tuchtcollege dat mijn klacht gegrond was ten aanzien, dat het onderzoek van mevrouw Kalteren niet zorgvuldig was geweest. Overigens had ik vijftien klachten, die u zelf in de beslissing kunt lezen. Hoe zat het dan met mijn andere klachten?

Het klapstuk van de voorstelling werd gegeven in 4.7, waarin de door het Tuchtcollege opgelegde maatregel voor mevrouw Kalteren werd uitgelegd:

Het Centraal Tuchtcollege acht de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend. Bij dit oordeel neemt het Centraal Tuchtcollege in aanmerking dat de bedrijfsarts bij de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klager, klaarblijkelijk op het verkeerde been is gezet doordat klager en zijn werkgever het er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict.

Het Centraal Tuchtcollege was blijkbaar van mening, dat een waarschuwing voor mevrouw Kalteren passend was, omdat “klager en zijn werkgever het er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict”. Deze zeer beperkte en gebrekkige uitleg kan op twee manieren worden geïnterpreteerd en dat is voor een juridische uitspraak zeer ernstig! Bij een juridische uitspraak (of afspraak) dient te worden voorkomen, dat een uitspraak op meerdere manieren kan worden begrepen. Een interpretatie zou kunnen zijn, dat Nucletron/Elekta en ik bijvoorbeeld overeen waren gekomen, dat we een arbeidsconflict zouden creëren, zodat uiteindelijk sprake was van een arbeidsconflict. Bij de andere interpretatie bleken beide partijen te erkennen dat een arbeidsconflict was ontstaan. In ieder geval waren beide interpretaties geen logische uitleg, dat mevrouw Kalteren zich niet aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten had hoeven houden. Overigens bestond er geen enkele reden voor mevrouw Kalteren om zich niet aan de STECR werkwijzer te houden!

Het Centraal Tuchtcollege ging in bovenstaande argumentatie ook voorbij aan het feit dat ik na mijn ziekmelding niet in gesprek wilde met personeelszaken om mijn werkzaamheden te hervatten. Het arbeidsconflict had meer dan een jaar geduurd en al mijn pogingen waren mislukt om middels gesprekken, e-mails en een extern geleid onderzoek een voor mij werkbare situatie te creëren, zodat uiteindelijk mijn huidige werksituatie onherstelbaar beschadigd was. In ruim een jaar had ik een uitgebreid dossier met misdragingen van Nucletron/Elekta opgebouwd. Dat mijn werksituatie onherstelbaar beschadigd was stond nota bene in de opdracht aan mevrouw Kalteren! Nucletron/Elekta was immers het arbeidsconflict begonnen met het doel mij kapot te maken en weg te pesten. Nucletron/Elekta wilde geen oplossing. Mijn ziekmelding werd door personeelszaken dan ook niet geaccepteerd en in het daaropvolgende “gesprek” werd mij “aangeboden” mijn arbeidsovereenkomst voor een luttel bedrag middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. Nucletron/Elekta had na mijn ziekmelding dit “aanbod” nooit mogen doen. Door dit wel te doen, had Nucletron/Elekta afdreiging (een misdrijf) toegepast teneinde mij zover te krijgen dat ik uit wilsgebrek de vaststellingsovereenkomst zou ondertekenen. Het slaat dan ook nergens op, dat het Centraal Tuchtcollege in de beslissing durfde te schrijven, dat beide partijen het “er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict” en dat mevrouw Kalteren hierdoor op het verkeerde been zou zijn gezet.

U leeft inderdaad in een wereld die nergens op slaat. Een tot het proletariaat behorend slachtoffer zal nooit zijn recht kunnen halen in het door de aristocratie gecontroleerde systeem. De aristocratie dicteert het beleid en de beslissingen middels het systeem, terwijl de onwetende massa denkt dat men in een democratie en een rechtstaat leeft, waar ieder goed te conditioneren individu kans heeft om bijvoorbeeld minister of rechter te worden.

In een waarachtige rechtsstaat hoort een besluit, vonnis of beslissing van een gedegen uitleg te worden voorzien. Deze uitleg wordt ook wel “gronding” of “motivering” genoemd. Meestal wordt deze plicht (volgens bepaalde wetten) tot het geven van een motivering aangeduid met het begrip “motiveringsvereiste”. Wanneer bij een beslissing meerdere stappen dienen te worden gemaakt, dienen ook deze afzonderlijke stappen van een gedegen uitleg te worden voorzien. In een dictatuur wordt het beleid of een beslissing opgelegd, zonder dat een (gedegen) uitleg wordt gegeven. Wanneer bij een besluit, vonnis of beslissing geen gedegen uitleg wordt gegeven of de uitleg nergens op slaat, dan is geen sprake van rechtspraak, maar van dictatuur.

Het Tuchtcollege liet in mijn geval bij verschillende stappen, waarbij een besluit werd genomen, het geven van een (zinnige) uitleg achterwege. Het is dan ook voor de meeste mensen die kunnen lezen eenvoudig in te zien, dat het Tuchtcollege door het niet geven van een gedegen uitleg niets anders is dan een dictatoriaal orgaan. Het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is dan ook een poppenkast, een theater, een dun laagje chroom met een wassen neus om het dictatoriale bewind te verhullen waaronder de bevolking gebukt gaat. Het Tuchtcollege ging in mijn zaak tegen mevrouw Kalteren zelfs zover, dat het Tuchtcollege essentiële bewijzen had gecensureerd teneinde opzettelijk een foutieve weergave van de gebeurtenissen te kunnen geven. Tevens werd nagelaten beslissingen te gronden, zodat mevrouw Kalteren er uiteindelijk enkel met een waarschuwing vanaf was gekomen.

Een waarschuwing is de geringste maatregel die het Tuchtcollege kan opleggen en wordt niet openbaar gemaakt. Hierdoor komt niet alleen mevrouw Kalteren met de schrik vrij, maar zal ik tevens aan de hand van deze zwaar gecensureerde beslissing nooit mijn recht kunnen halen. Ik begrijp dat wanneer het Tuchtcollege eerlijk en integer was geweest, dat mevrouw Kalteren zwaar en lang op haar eigen blaren had moeten zitten en dat de gevolgen voor Nucletron/Elekta zeer groot geweest zouden zijn. Tot op heden heb ik op de blaren moeten zitten en helaas ben ik in dit land niet de enige proletariër, die op de blaren van een tot de witte boorden behorende crimineel moet zitten. Het luiden van de noodklok is het enige dat ik nog kan doen.

Het Tuchtcollege behoort tot die organisaties, die u het gevoel moeten geven, dat u in een vrij land leeft, waar democratie en rechtspraak netjes zijn geregeld. Blijkbaar heeft het Tuchtcollege de illusie dat de mensen uit het volk er toch niets van snappen en het Tuchtcollege zich daarom deze onzin kan permitteren. Of misschien heeft het Tuchtcollege de ervaring, dat men er toch nooit meer wat van hoort, want alle reguliere media worden toch door de aristocratie gecontroleerd.

Het is aan u of u de onzin van het huidige systeem blijft accepteren. Indien u braaf de reguliere media blijft volgen (ook de gecontroleerde alternatieve media) en verder niets onderneemt en passief toekijkt, dan bent u medeplichtig aan het bouwen en uitbreiden van de onzichtbare gevangenis waarin de mensheid leeft, tot op het moment dat de mensen geen enkele vrijheden meer hebben.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s