Het tweede (!) arbeidsconflict – deel 6

Het doel van deze reeks artikelen “Het Tweede (!) arbeidsconflict” is, u te laten zien dat het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg een wassen neus is. Het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is onderdeel van “onze” zogenaamde rechtsstaat waarin wij leven, die u de illusie moet geven dat wanneer u onrecht wordt aangedaan, dat u dan uw recht middels het rechtssysteem zou kunnen halen. De wijze waarop het Tuchtcollege mijn klacht heeft behandeld is representatief voor de zogenaamde rechtsstaat waarin u leeft. Deze rechtsstaat heeft uw rechten reeds vanaf uw geboorte afgenomen en in plaats daarvan u de illusie van rechten gegeven, die met de dag worden uitgebreid. De aan u gegeven rechten hebben enkel het doel, dat u zich zal moeten conformeren aan het systeem, dat heimelijk de agenda van aristocratie dient. Indien bij bepaalde rechtelijke- of tuchtrechtelijke zaken de belangen van de aristocratie in het gedrang komen, dan zult u uw recht ook niet krijgen, zoals mij bij deze tuchtrechtelijk zaak wederom is overkomen.

Omdat ik het totaal niet eens was met de werkwijze en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, besloot ik in beroep te gaan bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, dat is gevestigd in Den Haag. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle had door mij gegeven essentiële informatie over de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten volledig genegeerd. Deze nieuwe informatie had ik gegeven, nadat de voorzitter na de terechtzitting het vooronderzoek had heropend en ik schriftelijk mocht reageren op door mevrouw Kalteren overhandigde nieuwe stukken. Hierdoor was er geen reden om de door mij nieuwe gegeven informatie te negeren. Overigens was deze informatie voor mevrouw Kalteren en haar advocaat niet nieuw, daar het ging over de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten, die bij haar bekend was en in mijn geval toegepast had moeten worden, zoals mevrouw Kalteren ook had beweerd in mijn geval te hebben gedaan.

Na het indienen van mijn beroepschrift bij het Regionaal Tuchtcollege, ontving ik na verloop van tijd een brief van het Centraal Tuchtcollege waarin werd aangekondigd wanneer de terechtzitting zou plaatsvinden. In deze brief was tevens geschreven:

Partijen kunnen overeenkomstig artikel 11 van voornoemd Reglement tot uiterlijk 14 dagen vóór de mondelinge behandeling ter zitting wél nog stukken indienen ter onderbouwing van standpunten die partijen reeds in het beroepschrift of verweerschrift hebben ingenomen.

Volgens bovenstaand citaat was ik dus bij het beroep gerechtigd om nieuwe informatie in te dienen om mijn klachten (beter) te kunnen onderbouwen. Dit betekende dat het Centraal Tuchtcollege de door mij gegeven informatie over de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten nooit zou mogen negeren, zoals het Regionaal Tuchtcollege dat wel had gedaan.

Ik besloot mijn beroepschrift zo te schrijven, dat bij enkel het lezen van het beroepschrift niet alleen duidelijk zou zijn waarom ik beroep had aangetekend, maar tevens duidelijk zou zijn dat mevrouw Kalteren zich totaal niet had gehouden aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten. In mijn beroepschrift had ik onderstaande negen bezwaren geformuleerd en uitgebreid toegelicht:

  1. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat bij het weergeven van mijn versie van de gebeurtenissen en mijn daarbij behorende standpunten, het Tuchtcollege de meest essentiële zaken heeft weggelaten, waaronder dat volgens mijn versie het spreekuurbezoek maximaal drie minuten had geduurd. Door het toepassen van deze censuur ontstaat een onvolledig en verkeerd beeld van mijn versie van het verhaal.
  2. Op bladzijde 1 van de beslissing wordt bij punt 1 “het verloop van de procedure” een lijst met stukken getoond, die bij de procedure door het Tuchtcollege zijn gebruikt. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat in deze lijst mijn schriftelijke reactie op “een tweetal aanvullende producties aan de zijde van verweerster” Mijn reactie is gedateerd op 10 juni 2016 en wordt in de beslissing wel genoemd bovenaan bladzijde 2, waar mijn reactie wordt aangeduid met “reactie van 14 juni 2016 van de zijde van klager”.
  3. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat mijn bovengenoemde reactie, gedateerd op 10 juni 2016, inhoudelijk op geen enkele wijze door het Tuchtcollege in de beslissing is aangehaald, terwijl door het Tuchtcollege wel wordt vermeld, dat naar aanleiding van mijn reactie uitbreiding en/of herformulering van de klacht niet was toegelaten.
  4. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren en haar diverse standpunten als feiten heeft neergezet. Dit is onder meer mogelijk gemaakt, doordat het Tuchtcollege de essentiële zaken van mijn versie van het verhaal heeft gecensureerd en in de beslissing de tegenstrijdigheden in de bewijsstukken en documenten niet heeft behandeld.
  5. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege in de beslissing heeft geschreven, dat sprake moet zijn van een deugdelijk en compleet rapport teneinde het door de bedrijfsarts uitgevoerde onderzoek te kunnen toetsen, terwijl het Tuchtcollege met geen enkel woord rept over het feit dat de spreekuurrapportage van mevrouw Kalteren totaal niet deugdelijk en tevens incompleet was.
  6. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege in de beslissing heeft gesteld dat mijn arbeidsconflict overeenkomt met “versie C”, zoals deze is omschreven in de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten, zonder dat het Tuchtcollege heeft onderbouwd waarom het Tuchtcollege van mening is dat deze versie op mijn situatie van toepassing zou zijn, terwijl juist de onderbouwing van het correct toepassen van de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten de essentie is van deze tuchtrechtelijke procedure. Bij deze onderbouwing zouden de door mevrouw Kalteren gegeven omschrijving, kenmerken, bevindingen en conclusies aangaande mijn arbeidsconflict door het Tuchtcollege moeten worden getoetst.
  7. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege van mening is dat mevrouw Kalteren voldoende “hoor en wederhoor” had toegepast, door de opdracht van de casemanager aan te nemen (de casemanager is niet een “representatieve vertegenwoordiger” van mijn werkgever), terwijl in de STECR Werkwijzer expliciet wordt vermeld dat grote waarde wordt gehecht aan het toepassen van hoor en wederhoor met het doel de oorzaken van het conflict in het spreekuurverslag te vermelden. Dit betekent dat niet alleen ik diende te worden gehoord, maar ook een “representatieve vertegenwoordiger” van mijn werkgever.
  8. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege diverse activiteiten en punten niet heeft benoemd, die mevrouw Kalteren volgens de STECR Werkwijzer wel had moeten uitvoeren én vastleggen. Ongeacht welke versie op mijn conflict van toepassing zou zijn, heeft mevrouw Kalteren zich op diverse andere door het Tuchtcollege genegeerde punten niet gehouden aan de STECR Werkwijzer.
  9. Ik heb bezwaar tegen het feit, dat het Tuchtcollege van mening is dat mevrouw Kalteren ervan af mocht zien een interventieperiode in te lassen, omdat volgens het Tuchtcollege mijn werkgever reeds een interventieperiode had ingelast.

Mocht u het volledige beroepschrift willen lezen, dan kunt u dat hier vinden. Het verweerschrift van mevrouw Kalteren kunt u hier vinden en is opgesteld door de heer Pascal Willems van WVO Advocaten te Loenen (Gld.). Natuurlijk ontkent mevrouw Kalteren alles en wordt ik omschreven als een persoon die ten onrechte in de zaak een samenzwering zie, die tegen mij gericht zou zijn.  Uit het beroepschrift zijn hieronder enkele belangrijke en opmerkelijke zaken weergegeven, zodat het voor u eenvoudig is om de rode draad te kunnen blijven volgen.

In het beroepschrift had ik aangegeven, dat het medische dossier van mevrouw Kalteren niets anders was dan haar opgeschreven woord aangaande het spreekuurbezoek. Hier tegenover stond mijn geschreven woord over hoe volgens mij het spreekuurbezoek was verlopen, zoals ik deze in mijn klaagschrift had omschreven. Helaas had het Regionaal Tuchtcollege het door mevrouw Kalteren opgeschreven woord voor waar aangenomen. Om dit aannemelijk te maken, was mijn versie van het verhaal door het Regionaal Tuchtcollege gecensureerd.

Een zeer belangrijk bewijsstuk was het door de casemanager opgestelde opdrachtformulier aan mevrouw Kalteren, waarin onder meer onderstaande punten stonden:

  1. Werknemer had zich op 25 juli 2012 ziek gemeld naar aanleiding van een arbeidsconflict tussen werknemer en leidinggevende.
  2. Werkgever had deze ziekmelding niet geaccepteerd en werknemer uitgenodigd voor een gesprek op 20 juli 2012, rekening houdend met enige time out dagen.
  3. Werknemer weigerde dit gesprek i.v.m. aanwezigheid leidinggevende.
  4. Werknemer werd opnieuw uitgenodigd voor een gesprek met directeur en werknemer van personeelszaken, dat op 31 juli heeft plaatsgevonden.
  5. Besproken was dat huidige functie onherstelbaar beschadigd was en dat geen andere functie beschikbaar was bij de werkgever.
  6. Er werd een beëindigingsvoorstel besproken waarvoor werknemer bedenktijd krijgt.

Uit bovenstaande punten valt te herleiden, dat mijn werkgever in ieder geval zich jegens mij misdroeg, door mij ziekmelding niet te accepteren, terwijl volgens de wet mijn werkgever een bedrijfsarts had moeten inschakelen. In het gesprek met personeelszaken zou naar voren zijn gekomen, dat mijn huidige functie onherstelbaar beschadigd was en bovendien geen andere functie aanwezig was. Personeelszaken had mij een beëindigingsvoorstel (vaststellingsovereenkomst) “aangeboden”. Uit de gegeven informatie blijkt dat mijn werkgever maar één “oplossing” wilde voor het arbeidsconflict: ik zou de vaststellingsovereenkomst om mijn arbeidsovereenkomst te beëindigen moeten accepteren.

Bovenstaande informatie was dus gericht aan mevrouw Kalteren. Deze informatie zou dus direct of indirect terug moeten zijn te vinden in de door mevrouw Kalteren opgestelde spreekuurrapportage. Deze spreekuurrapportage zou als advies aan de werknemer en werkgever gegeven moeten worden. In de spreekuurrapportage had mevrouw Kalteren geschreven dat werkhervatting het re-integratiedoel was. Dit kon helemaal niet, daar mijn functie onherstelbaar beschadigd was en bovendien geen andere functie aanwezig was! Daarbij achtte mevrouw Kalteren mij niet arbeidsongeschikt door ziekte. Dit betekende volgens mevrouw Kalteren, dat ik weer aan het werk diende te gaan en met mijn werkgever tot een adequate oplossing zou moeten komen. Ook dit advies was dus pure onzin, daar mijn functie onherstelbaar was beschadigd en mijn werkgever maar één oplossing wilde: mijn arbeidsovereenkomst beëindigen middels de vaststellingsovereenkomst. Mevrouw Kalteren had mij dus situatief arbeidsongeschikt (arbeidsongeschikt) moeten bevinden, teneinde mij te beschermen tegen mijn zich misdragende werkgever.

Niet alleen was bovenstaand advies van mevrouw Kalteren onzinnig en ontbrak daarbij de benodigde onderbouwing, bovendien bleken meer zaken niet te kloppen met de door mevrouw Kalteren geschetste versie van het verhaal bij het Tuchtcollege. Het bleek dat mijn huisarts wel spanningen bij mij had geconstateerd, terwijl mevrouw Kalteren op de medische kaart beweerde dat ik geen gespannen indruk maakte. Bovendien was duidelijk dat ik bij mijn huisarts had aangegeven, dat het arbeidsconflict langer duurde dan een jaar, terwijl mevrouw Kalteren het had over een “reactief spanningsbeeld gerelateerd aan de situatie op het werk” (dit heeft volgens STECR niets met een langdurig arbeidsconflict van doen, maar met een recent conflict). Verder had mijn huisarts opgeschreven dat ik had verteld dat er bij mij iets was geknakt en dat ik niet verder kon werken met die man. Dit stond in één lijn met het belangrijkste punt, dat was geschreven door de casemanager in de opdracht aan mevrouw Kalteren, waarin stond dat de huidige functie “onherstelbaar beschadigd was” en “geen andere functie beschikbaar was”!

Uit bovenstaande informatie bleek dat zowel mijn huisarts als de casemanager mijn versie van het verhaal bevestigden, waardoor eenvoudig de conclusie kon worden getrokken dat de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren niet klopte. Tevens bleek, dat mevrouw Kalteren zich niet aan STECR had gehouden! De logische vraag die dan zou kunnen ontstaan zou zijn: Had mevrouw Kalteren per ongeluk heel veel fouten gemaakt en nagelaten diverse activiteiten uit te voeren of zou er wellicht sprake zou kunnen zijn van opzet?

Hieronder heb ik de acties opgesomd, die mevrouw Kalteren in mijn geval niet had uitgevoerd, maar die volgens STECR wel door mevrouw Kalteren uitgevoerd hadden moeten worden. Gezien de lengte van onderstaande lijst, begint het te lijken op opzet…

  1. Het maken van een anamnese / voorgeschiedenis van mijn klachten;
  2. Onderzoek doen naar mijn (eventuele) psychische klachten;
  3. Het toepassen van de richtlijn LESA voor overspanning / burnout;
  4. Onderzoeken of situatieve arbeidsongeschiktheid bij mij van toepassing was;
  5. Onderzoeken of ik zicht had op perspectief;
  6. Erop toezien dat mediation zou worden ingezet, dat gezien de verstoorde arbeidsrelatie zou hebben geresulteerd in outplacement (tweede spoor);
  7. Het toepassen van hoor en wederhoor;
  8. De kenmerken van kenmerken van het conflict vastleggen in het spreekuurverslag;
  9. De rol vervullen van procesbegeleider;
  10. Na enkele weken een evaluatie maken over hoe het arbeidsconflict is opgelost.

Het Regionaal Tuchtcollege had in de beslissing zonder verdere toelichting vermeld, dat het in mijn geval ging om “versie C”, zoals deze in de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten was beschreven. Hieronder staat “versie C” uit STECR geciteerd:

C  De ziekmelding is een direct gevolg van een arbeidsconflict

De werknemer meldt zich ziek met klachten, die lijken op de eerste situatie waarin sprake is van psychische beperkingen. De werknemer meldt spanning, onrust, emotionele labiliteit, moeite met concentreren en soms fysieke klachten als hartkloppingen, hoofdpijn en dergelijke. Kenmerkend voor deze situatie is dat de klachten niet al geruime tijd voorafgaand aan de ziekmelding bestaan, maar meestal zijn ontstaan direct aansluitend aan een recent conflict.

Bovenstaande “versie C” was op mijn situatie niet van toepassing, daar het bij mij ging om een langdurig arbeidsconflict, waarbij mijn functie onherstelbaar beschadigd was. Het blijkt, dat geen van de vier in de STECR Werkwijzer genoemde situaties op mij van toepassing was. In STECR staat dan ook op bladzijde 13 onder de vier genoemde situaties (versies):

NB: Het bovenstaande onderscheid is bedoeld om een houvast te bieden. In de praktijk kunnen zich andere vormen en combinaties voordoen.

Aan de hand van bovenstaande informatie had mevrouw Kalteren mij volgens de STECR Werkwijzer in ieder geval situatief arbeidsongeschikt moeten verklaren en erop toezien dat het tweede spoor zou worden ingezet indien ik niet ziek zou zijn geweest. Daarbij had zij volgens de richtlijn LESA moeten onderzoeken in hoeverre ik overspannen / burnout was.

De terechtzitting bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg vond plaats op 4 april 2017 in het Paleis van Justitie te Den Haag. Ik had niet veel te zeggen, daar ik vond dat ik alles uiterst netjes had opgeschreven. Mevrouw Kalteren had wel wat te zeggen. In haar theatrale verhaal compleet met tranen probeerde zij zichzelf in de slachtofferrol te positioneren. Volgens haar uitgebreide betoog was zij door de situatie heel onzeker geworden in haar werk. Ik vond dit vreemd, maar het was kenmerkend voor het handelen en bijbehorend gedrag van mevrouw Kalteren. Als zij heel eenvoudig de richtlijnen had gevolgd, dan was er niets aan de hand geweest. Overigens was ik het slachtoffer en niet mevrouw Kalteren.

De uitspraak van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg zou plaatsvinden op 23 mei 2017. Omdat men niet bij de uitspraak aanwezig hoefde te zijn, was het voor mij wachten dat de beslissing per post zou worden bezorgd. De beslissing bedroeg zestien bladzijden in A4 formaat, waarbij enkel op de laatste vier bladzijden van de beslissing de uitleg van het Centraal Tuchtcollege was te vinden. Op de andere bladzijden werd voornamelijk de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle geciteerd. U kunt de volledige beslissing hier vinden. De laatste vier bladzijden van de beslissing heb ik hieronder weergegeven. U kunt hieronder zelf lezen, in hoeverre het Centraal Tuchtcollege mijn negen ingediende bezwaren tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft behandeld.

3          Vaststaande feiten en omstandigheden

3.1       Klager heeft in beroep aangevoerd dat het Regionaal Tuchtcollege in de beslissing in eerste aanleg bij de vaststelling van de feiten de standpunten van de bedrijfsarts als feiten heeft gepresenteerd.

3.2       Anders dan klager is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat overweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg een correcte weergave behelst van de feiten die relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggende geschil. Het Centraal Tuchtcollege zal voor de beoordeling van het beroep van die feiten uitgaan.

4  Beoordeling van het beroep

4.1       In beroep heeft klager zijn klacht herhaald en nader toegelicht. De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.2       Het Centraal Tuchtcollege vat, evenals het Regionaal Tuchtcollege, de klachten van klager aldus op dat klager van mening is dat het onderzoek van de bedrijfsarts onzorgvuldig en niet concludent is geweest voor het daaropvolgende advies dat hij niet arbeidsongeschikt is.

4.3       Het Centraal Tuchtcollege stelt bij de beoordeling van deze klacht voorop dat een bedrijfsarts een belangrijke taak heeft bij het op constructieve wijze doen laten terugkeren van een werknemer in het arbeidsproces. Aangezien het oordeel van een bedrijfsarts van doorslaggevend belang is of kan zijn, is zorgvuldigheid bij de totstandkoming en motivering van zijn of haar oordeel over de mate van arbeids(on)geschiktheid geboden. In geval van een arbeidsconflict raadpleegt de bedrijfsarts daarbij de Werkwijze Arbeidsconflicten, Stichting Expertisecentrum Re-integratie (STECR). Ten tijde van de onderhavige casus (augustus 2012) was versie 5 van de genoemde Werkwijzer, van februari 2010, van toepassing.

4.4       Ten aanzien van het door de bedrijfsarts verrichte onderzoek overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De spreekuuraantekeningen van 7 augustus 2012 en de (op dezelfde dag uitgewerkte) medische kaart geven het Centraal Tuchtcollege onvoldoende inzicht in de klachtenanamnese en de verrichte onderzoeken door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft daarover ter zitting verklaard dat zij klager tijdens het spreekuur heeft beoordeeld en dat zij in haar aantekeningen heeft vastgelegd wat zij heeft gezien. De bedrijfsarts heeft verklaard de gewoonte te hebben tijdens het spreekuur een vraag te stellen teneinde te toetsen hoe de werknemer er ‘mentaal in staat’. Nu klager hierop geen emotie liet zien en hij ook voorts zijn verhaal helder en zonder boosheid kon vertellen, bestond er voor de bedrijfsarts geen aanleiding te vermoeden dat klager ziek was. Zij heeft om die reden dan ook geen aanleiding gezien (door) te vragen naar zijn klachten. De bedrijfsarts heeft verklaard dat zij tijdens haar spreekuur alleen naar klachten vraagt indien daar aanleiding toe bestaat, hetgeen in het onderhavige geval naar haar mening niet het, geval was. Zij heeft het spreekuur afgesloten door klager te vragen of hij, indien hij geen conflict met zijn werkgever zou hebben gehad, zich ook zou hebben ziekgemeld. Toen klager daarop ontkennend antwoordde heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat bij klager geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte maar dat sprake was van een arbeidsconflict met daaraan gerelateerde klachten.

4.5 Mede gelet op hetgeen is vastgelegd in versie 5 van de werkwijze STECR, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het afnemen van een klachtenanamnese in het onderhavige geval geboden was. In de in dit geval van toepassing zijnde ‘situatie C’ (ziekmelding als direct gevolg van een arbeidsconflict) van de werkwijze STECR dient de bedrijfsarts in het kader van de diagnostiek immers (onder meer) de vraag te beantwoorden of er medische beperkingen bestaan voor de bedongen arbeid. Voorts dient de bedrijfsarts op grond van de werkwijze na te gaan hoe het traject van de klachten en het niet werken is verlopen. Het Centraal Tuchtcollege stelt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat de bedrijfsarts niet heeft (door)gevraagd naar klagers medische klachten en in welke mate dit voor klager een belemmering vormde of – bij werkhervatting – kon vormen om de bedongen arbeid te verrichten. Door na te laten een klachtenanamnese bij klager af te nemen heeft de bedrijfsarts een oordeel over de arbeids(on) geschiktheid van klager gegeven, terwijl zij niet zeker kon weten of zij over voldoende informatie beschikte. Daarmee is het door de bedrijfsarts uitgevoerde onderzoek naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege niet voldoende zorgvuldig geweest. Hiermee is overigens niet gezegd dat de conclusie ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid anders was geweest wanneer zij tijdens haar spreekuur wel een uitgediepte anamnese en een lichamelijk onderzoek had verricht. Dit laatste doet echter niet af aan het oordeel omtrent de onzorgvuldigheid van het onderzoek van de bedrijfsarts.

4.6       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht, voor zover daarmee is betoogd dat het onderzoek van de bedrijfsarts niet zorgvuldig is geweest, gegrond is.

4.7       Het Centraal Tuchtcollege acht de oplegging van een waarschuwing passend en toereikend. Bij dit oordeel neemt het Centraal Tuchtcollege in aanmerking dat de bedrijfsarts bij de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van klager, klaarblijkelijk op het verkeerde been is gezet doordat klager en zijn werkgever het er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict.

5  Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de klacht alsnog gegrond;

legt aan de bedrijfsarts de maatregel van waarschuwing op;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. K.E. Mollema, voorziïter, prof. mr. J. Legemaate en mr. A.R.O. Mooy, leden-juristen; mr. drs. MJ. Kelder en drs. J.A.F. Leunisse-Walboomers, leden-beroepsgenoten en mr. A.R. Sijses, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 mei 2017.

Het is u waarschijnlijk opgevallen, dat niet alle negen bezwaren tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege door het Centraal Tuchtcollege waren behandeld. Het Centraal Tuchtcollege had slechts kort één van mijn bezwaren aan bod laten komen, mijn bezwaar dat het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle zonder gedegen uitleg de versie van het verhaal van mevrouw Kalteren voor waar had aangenomen. Het Centraal Tuchtcollege had helaas hetzelfde gedaan, door eveneens geen onderbouwing te geven. Dit betekende dat mijn versie van het verhaal zonder gedegen motivatie door het Centraal Tuchtcollege voor onwaar was aangenomen. Mijn uitgebreide uitleg met bewijzen om mijn versie van het verhaal te onderbouwen was volledig door het Centraal Tuchtcollege genegeerd. Hierdoor was mijn versie van het verhaal niet alleen zonder enige gedegen motivatie onwaar bevonden, maar ook nog eens gecensureerd, daar mijn versie met onderbouwing van het verhaal nergens in de beslissing is terug te vinden.

Helaas bleef het hier niet bij en was het Centraal Tuchtcollege van mening, dat een waarschuwing voor mevrouw Kalteren passend was, omdat “klager en zijn werkgever het er over eens leken te zijn dat sprake was van een arbeidsconflict”. Eerder heb ik al geschreven, dat dit citaat op twee manieren kan worden geïnterpreteerd. Voor een juridische uitspraak is dit zeer ernstig. Bij één interpretatie zouden werkgever en ik bijvoorbeeld blij of tevreden kunnen zijn dat er sprake was van een arbeidsconflict, terwijl bij de andere interpretatie beide partijen bleken te erkennen dat een arbeidsconflict was ontstaan. In ieder geval waren beide interpretaties geen reden voor mevrouw Kalteren om zich niet aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten te houden. Overigens bestond er geen enkele reden voor mevrouw Kalteren om zich niet aan de werkwijzer te houden!

Doordat ik door mevrouw Kalteren onbeschermd terug werd gestuurd naar mijn zich jegens mij misdragende werkgever, kon ik op dat moment niet anders dan middels een vaststellingsovereenkomst “accepteren” dat mijn arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. Dit was voor mij de enige mogelijkheid om mijzelf uit mijn onmenselijke positie te bevrijden. Mijn vaststellingsovereenkomst had ik dus ondertekend door wilsgebrek, omdat ik niets te willen had. Ik had eenvoudig geen andere keuze.

Mijn werkgever had bij mij meerdere misdrijven begaan. Naast psychische mishandeling (het wegpesten met het doel mij ziek en overspannen maken), had mijn werkgever afdreiging kunnen toepassen, omdat mevrouw Kalteren zich niet aan de richtlijnen had gehouden. Afdreiging is een misdrijf. Wanneer ik de geluiden om mij heen hoor, dan wordt afdreiging door werkgevers jegens werknemers regelmatig toegepast. U begrijpt dan wellicht ook, dat het Tuchtcollege niet graag ziet, dat een foute bedrijfsarts door een gedupeerde werknemer succesvol kan worden aangepakt. De loonslaven moeten immers onvoorwaardelijk het systeem in stand houden en in het systeem blijven geloven, terwijl het systeem tot op het bot verrot en corrupt is, omdat het is ontworpen om de aristocratie te dienen. Wanneer één zwaar gedupeerde loonslaaf zijn gelijk zou halen, dan zouden andere gedupeerde loonslaven wellicht ook hun recht proberen te halen. Dit zou tot gevolg kunnen hebben, dat het systeem zou gaan wankelen.

Wellicht zult u denken, dat ik uiteindelijk in mijn gelijk was gesteld, omdat mevrouw Kalteren uiteindelijk toch een waarschuwing had gekregen. Dit is slechts ten dele waar. Ten eerste ontbreekt een goede onderbouwing van het Centraal Tuchtcollege, terwijl een motiveringsvereiste volgens het Tuchtrechtbesluit verplicht is. Hoe kan iemand in zijn gelijk of ongelijk worden gesteld, als het Tuchtcollege bewust zaken negeert, censureert en nalaat een gedegen onderbouwing te geven? Dit is niets anders dan dictatuur, verpakt in een mooi pakketje voor de onwetende burgers. Ten tweede wordt een waarschuwing niet geregistreerd in het BIG register. Dit betekent dat mensen op internet niet kunnen zien dat mevrouw Kalteren een waarschuwing heeft gekregen van het Tuchtcollege.

Ik hoop dat u het met mij eens bent, dat bovenstaande praktijken thuis horen in een dictatuur en niet in een waarachtig rechtssysteem. Dit avontuur laat zien dat het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg een wassen neus is. Wellicht is het voor u nog interessant om te weten, dat ik totaal vier artsen bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heb aangeklaagd! Inderdaad… U krijgt nog meer te lezen over de werkwijze van het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s